Zorgen voor vader zolang het kan

Na de dood van haar moeder kwam haar vader in een verpleeghuis terecht. 2 keer per week zorgde Jannie met haar man Dirk voor haar vader. Elke maandag en vrijdag was het vaste prik. ’s Morgens en ’s middags was Jannie met haar man Dirk te vinden in verpleeghuis Salem. Jannie Boom-Both vertelt over haar taak als mantelzorger.

De mantelzorg voor haar 91-jarige vader was voor Jannie logisch en ook bijzonder

Jannie wilde op vaste tijden bij haar vader in het verpleeghuis zijn. ‘Als 1e contactpersoon was ik de aangewezen persoon om mantelzorg te geven. Ik wilde het zelf ook graag omdat ik zag dat het belangrijk was. Mijn vader viel bijvoorbeeld sterk af, dus de eetmomenten waren heel belangrijk. Het personeel was heel betrokken, maar naaste familie krijgt soms net iets meer voor elkaar. Als ik zag dat mijn vader meer at als ik hem hielp, was ik al heel blij.’

De speciale zorg voor haar vader maakte de band tussen Jannie en haar vader sterker

‘Toen mijn moeder nog leefde, was mijn vader op de achtergrond. Daarna leek het alsof ik een andere vader kreeg. Hij was degene met wie ik overlegde.’ Langzaam aan werd de conditie van Jannie’s vader slechter. Een proces dat Jannie zwaar viel. ‘In het begin liep mijn vader nog achter zijn rollator en vertelde hij van alles. Daarna kon hij eigenlijk niets meer. Zijn dementie werd erger. Lichamelijk was hij van een sterke in een zwakke man veranderd. Soms kregen we een lachje. Dat was het enige, want hij kon niet meer praten. Als dochter kende ik hem zo goed dat ik hem zonder woorden begreep. Als hij geen eten meer wilde, hield hij zijn mond dicht. Of hij schudde hij soms een beetje met zijn hoofd. In bad ontspande hij. “Lekker hè pa?”, zei ik dan tegen hem. Al wist ik dat hij niks meer kon terugzeggen. Ook maakte ik altijd oogcontact omdat hij vaak naar beneden keek.’ 

‘Als ik naar huis ging, wilde vader met me mee’

De fietstocht van huis naar Salem had Jannie in het begin hard nodig. Zo kon ze haar gevoelens een plekje geven. ‘Van het fietsen knapte ik echt op. Het begin in Salem vond ik vooral een heel pijnlijk proces. Als ik naar huis ging, wilde mijn vader met me mee. Dat waren moeilijke momenten. Soms ervoer ik de sfeer als bedrukt, terwijl ik ook van de bezoeken kon genieten. Ook omdat Dirk en ik de vaste groep bewoners goed kenden. Natuurlijk was het ook moeilijk als bewoners overleden. Maar dat nare gevoel van het begin verdween. Ik was vooral erg blij dat ik nog zo veel kon en mocht doen voor mijn vader.’

Er waren zoveel waardevolle momenten

De 2 vaste dagen per week waren voor Jannie en Dirk goed te overzien. Het paste in hun leven. En dat was belangrijk volgens Jannie. ‘Niet elke mantelzorger kan evenveel doen. Het is belangrijk om na te denken over wat haalbaar is voor jezelf en bijvoorbeeld een gezin. Niemand heeft er iets aan als je het zelf niet kunt volhouden. Dirk en ik pasten onze activiteiten soms aan. Zo zorgden we ervoor dat we op de vaste dagen in Salem waren. Ook omdat ik me goed besefte dat we het nog konden doen. Toen was mijn vader er nog.’ Met de term mantelzorg had Jannie niet veel op. ‘Ik zag het niet als een functie of een taak. Ik deed het uit liefde voor mijn vader. Ik was dankbaar dat ik dit als dochter kon doen. Er waren zo veel waardevolle momenten. Als ik zag dat mijn vader lekker at en genoot van een ijsje tijdens een wandeling. Of als hij een glimlach gaf. Daar werd ik zelf ook blij van. Wat dat betreft raad ik iedereen aan om betrokken te zijn bij de zorg voor ouders. Je krijgt er nooit spijt van. Dat weet ik zeker.’

Dit artikel is een korte versie van het interview in ons magazine Liv (2019). U kunt ons magazine gratis aanvragen


Ook interessant