Onderzoek rondom zwangerschap en geboorte
Als een vrouw zwanger is, dan is het allerbelangrijkste of de baby in orde zal zijn. Zo’n 3 tot 5 % van de kinderen wordt geboren met een min of meer ernstige aandoening. En als de baby niet in orde is, dan is dat een grote schrik voor de ouders. Er is tijd voor nodig om het te verwerken
Je kunt zielsveel van het kind zelf houden en het tegelijkertijd moeilijk
vinden de handicap van je kind te aanvaarden. Heel vaak voelt de moeder
zich ook nog schuldig. Ook komen er zeker bij ernstige aandoeningen vragen
naar boven als "Wie zal er voor ons kind zorgen als wij er niet meer zijn?"
en "Hoe zal het gaan met eventuele volgende kinderen?"
Erfelijkheidsonderzoek en -advisering
Als de baby niet in orde is dan wil je weten of het door een oorzaak van
buitenaf komt zoals bij een infectie met het rode hondvirus vroeg in de
zwangerschap of dat het erfelijk bepaald is. Een aandoening door een
oorzaak van buitenaf wordt een verworven aandoening genoemd. De kans
op een herhaling in een volgende zwangerschap zal nihil zijn. Als de
oorzaak van de handicap genetisch bepaald is, spreekt men van een erfelijke
aandoening. Er bestaat dan zeker kans op herhaling in een volgende
zwangerschap. In een dergelijke situatie wordt erfelijkheidsonderzoek en
-advisering gedaan. Er wordt dan onderzoek gedaan bij de ouders om te zien
hoe groot de kans is op herhaling. Ook kan een dergelijk onderzoek
plaatsvinden als er in de familie erfelijke aandoeningen voorkomen. Men kan
bij een dergelijk onderzoek op een reële manier bereken hoe groot de kans
is dat als je zwanger wordt het kind die bepaalde aandoening heeft. Dit
onderzoek wordt dus gedaan vóórdat het echtpaar zwanger is. Er vindt dus
geen afbreking van nieuw menselijk leven plaats. Als echtpaar sta je dan
wel voor de keuze al of niet zwanger te worden.
Overerving
Een mens bestaat uit 60.000.000.000.000 (60 biljoen) cellen. In alle cellen
(met uitzondering van de rode bloedcellen) zit het complete erfelijke
materiaal (het DNA). Dit is verdeeld over 46 stukjes die chromosomen
genoemd worden. In deze chromosomen staan in totaal zo'n 30.000 erfelijke
eigenschappen gecodeerd. In de eicel zit de helft van het aantal
chromosomen (23 stuks) en in de zaadcel ook 23. Waardoor bij bevruchting
weer 46 chromosomen zijn. Twee van de 46 chromosomen bepalen het geslacht
van het kind, de zogenaamde geslachtschromosomen. Voor een meisje is het
geslachtschromosoom XX en voor een jongen is het XY. Het zaad van de man is
bepalend voor het geslacht van kind. Op het X geslachtschromosoom staat ook
andere genetische informatie. Het Y geslachtschromosoom bevat verder
eigenlijk geen informatie. Bij iedere celdeling moet het complete erfelijke
materiaal worden gekopieerd. Ook gezonde mensen hebben wel enkele foutjes
(gemiddeld vier) in het erfelijke materiaal staan.
Er zijn drie soorten van overerving van aandoeningen: dominant, recessief
en geslachtsgebonden.
-dominant: als de afwijking op één van beide chromosomen zit. Dan heeft 50
% van de kinderen kans op die aandoening.
-recessief: de aandoening komt pas openbaar als beide chromosomen dezelfde
afwijking vertonen. 25 % van de nakomelingen zal die erfelijke aandoening
hebben. 50 % is gezond, maar wel drager van de aandoening en 25 % is gezond
en is ook geen drager van de erfelijke aandoening.
-geslachtsgebonden: de recessieve aandoening zit nu op het X
geslachtschromosoom. 50 % van de meisjes is dan draagster van de ziekte en
50 % is gezond. Als het X geslachtschromosoom van de jongen is aangedaan
dan vindt er geen correctie plaats door het Y chromosoom, omdat dit
chromosoom nagenoeg geen informatie bevat. In dit geval heeft 50 % van de
jongens de aandoening en 50 % is helemaal gezond.
Prenatale diagnostiek
Als een echtpaar weet dat ze een grotere kans hebben op een kindje met een
aangeboren afwijking, kan er ook worden gekozen voor prenatale diagnostiek.
Het echtpaar wordt zwanger en dan wordt er gekeken door middel van
prenataal onderzoek of de ongeborene de aandoening heeft. Maar als dan
blijkt dat dat inderdaad zo is, dan is helaas behandeling meestal niet
mogelijk. En dus wordt dan bijna altijd de zwangerschap afgebroken. Is
prenatale diagnostiek op zich verkeerd? Nee, het onderzoek op zich is niet
verkeerd, maar vanuit het christelijke geloof is het wel een stap te ver om
op grond van een aandoening nieuw menselijk leven af te breken.
Wat is het verschil tussen prenatale screening en prenatale diagnostiek?
Bij prenatale screening wordt er gekeken of het ongeboren kind een
verhoogde kans heeft op een aangeboren afwijking. Bij prenatale diagnostiek
wordt gekeken of het ongeboren kind een bepaalde aandoening ook echt heeft.
Prenatale screening
Bij de volgende onderzoeken wordt de kans op het Syndroom van Down
berekend. Een vroege bloedtest vindt plaats tussen de negen en veertien
weken van de zwangerschap. Een nekplooimeting wordt gedaan tussen de elf en
de veertien weken. Een combinatietest is een vroege bloedtest en een
nekplooimeting. Dit onderzoek is nauwkeuriger dan de eerste twee
onderzoeken en wordt gedaan tussen de elf en veertien weken. Daarnaast kan
er ook een late bloedtest gedaan worden. Deze test vindt plaats tussen de
vijftien en negentien weken en berekent de kans op het Syndroom van
Down en neuraalbuisdefect. Als die kans verhoogd is, kan er alsnog
prenatale diagnostiek worden gedaan om na te gaan of het kindje ook
werkelijk die aandoening heeft.
Prenataal onderzoek
Er zijn verschillende soorten van prenataal onderzoek.
-vruchtwaterzoek: dit vindt plaats rond de zestiende week. Hiermee wordt
het erfelijk materiaal in de cellen van het kind uit het vruchtwater
onderzocht.
-vlokkentest: enkele vlokken van de "vroege" moederkoek worden verwijderd
en onderzocht op erfelijke afwijkingen. Deze test vindt plaats tussen de
tiende en veertiende week van de zwangerschap.
-echografie: bij dit onderzoek kunnen structurele afwijkingen ofwel
misvormingen gezien kunnen worden. Vanaf de zestiende week van de
zwangerschap is dit onderzoek mogelijk. Aan dit onderzoek zijn geen
risico's verbonden.
-pre-implantatie diagnostiek: dit onderzoek is beter bekend als
embryoselectie. Er wordt onderzoek gedaan ná de bevruchting, maar vóór de
innesteling. Hiervoor is de IVF methode nodig. Na de bevruchting worden de
eerste celdelingen afgewacht. Alle cellen zijn in het begin nog hetzelfde.
Er wordt een enkel celletje verwijderd en onderzocht. Als het celletje de
erfelijke aandoening heeft dan zal de vrucht niet teruggeplaatst worden.
Heeft de vrucht de erfelijke aandoening niet dan wordt de vrucht
teruggeplaatst. Het kind en zijn of haar eventuele nakomelingen zullen geen
risico meer lopen op deze aandoening. Het is goed te begrijpen dat
echtparen om die reden hier voor zouden willen kiezen. Toch zal dit voor
christenechtparen een stap te ver zijn omdat wij vinden dat het menselijk
leven vanaf de bevruchting beschermwaardig is.
In Nederland is embryoselectie toegestaan voor aandoeningen die zeker zijn
zoals de ziekte van Huntington. Embryoselectie is nog niet toegestaan voor
aandoeningen, die een (sterk) vergrote kans geven.
-kinderlijke cellen in de moederlijke bloedsomloop. Er komen altijd wel
cellen van de ongeborene in de bloedsomloop van de moeder. Die cellen
kunnen uit haar bloed worden gehaald en het dna ervan kan worden
onderzocht op erfelijke aandoeningen.
Tot slot
Prenatale screening en / of diagnostiek op zich is niet verkeerd. Er zijn
echtparen die weten dat ze een verhoogd risico lopen op een kindje met een
erfelijke aandoening. Dan is een negen maanden durende zwangerschap erg
lang. Onzekerheid is moeilijker om mee te leven dan een negatieve
zekerheid. Deze echtparen willen het dan gewoon alvast weten om zich er
eventueel op te kunnen voorbereiden. Het is echter wel een stap te ver als
de zwangerschap wordt afgebroken.
Drs. A.B.F. Hoek - van Kooten
